geschiedenis-sbm

Onderstaande fragmenten komen uit verschillende geschiedkundige werken en zullen als inspiratie dienen voor een deel van de tekst in het boek.

Een bauxietwetgeving moest door den kolonialen Bewindvoerder eerst met den Minister in Den Haag worden beredderd, doch op het Plein scheen men geen behoefte te gevoelen om daarmede eenige haart te maken. Het duurde twee volle jaren alvorens de eerste bauxietverordering, G.B. No. 76, tot stand kon komen. Het bleek echter, dat deze door het Surinaamsche Bestuur uitgevaardigde verordening niet in werking kon treden, aangezien de Minister van Koloniën niet met de daarin vastgestelde rechten zich kon vereenigen, doordat deze te laag werden geacht. Het gevolg was, dat monsterverschepingen naar Amerika verder moesten worden uitgesteld en voorlopig aan den bouw van een bauxietfabriek in onze kolonie niet kon worden gedacht. Wij moeten niet vergeten, dat, wat hier beschreven wordt, zich in den eerste wereldoorlog afspeelde. Amerika bevond zich toen ook juist in oorlog met Duitschland en de Amerikanen kregen nu den indruk, dat hun plannen, ten gunste van Duitschland, moedwillig door onze Nederlandsche Regeering werden gesaboteerd.

(Munnick, 1946)

 

De monsterverschepingen uit Suriname geschiedden uitsluitend onder toezicht van Amerikaansch personeel en te dien einde had een kleine Amerikaansche kolonie zich op Moengo aan de Boven Cottica gevestigd. De hier aanwezige Amerikanen leidden een nogal vrij leven in de Surinaamsche rimboe en hielden zich niet aan de wetsbepalingen der kolonie, waardoor nogal wat overlast werd veroorzaakt en wrijving met het Bestuur ontstond. Intusschen was Gouverneur Staal gerepatrieerd, en werd het bewind der kolonie door Baron van Heemstra als opvolger, gevoerd. Toen de projecten voor een bauxierfabriek gereed waren gekomen en het verzoek binnenkwam, om de nodige installaties met wooningen enz. op de domeingronden te mogen oprichten, heeft de nieuwe Gouverneur van deze gelegenheid gebruik gemaakt, om aan de goedkeuring den eisch te stellen, dat een Nederlander de leiding van den bouw in handen zou worden gegeven, die tevens de volle verantwoordelijkheid op zich zou moeten nemen, dat geen overlast werd veroorzaakt door de op Moengo tewerkgestelde Amerikaansche krachten.

(Munnick, 1946)

In een afgelegen land als Suriname had de delfstof geen waarde. Hierin kwam pas verandering toen de aluminiumindustrie zich zo sterk ging uitbreiden, dat de Amerikaanssche voorraden geen voldoende reserve meer aanboden.

(Grutterink, 1919)

“Over de Javaanse arbeiders was de maatschappij erg tevreden. Niet allen werden ze ingezet in de groentetuin, maar ze waren daarnaast uitstekende delvers, terwijl de vrouwen handig waren in het wassen van bauxiet.”

(Lie A Kwie / Esajas, 1996)

 

 

“Two samples of Javan Laborer’s houses. The gentleman standing before the gate is the Gouvernment Javan Immigration Agent, whose approval of the type was very emphatic. Total cost complete with modern conveniences $ 400,– (sept. 1919).”