geschiedenis-moengo

Onderstaande fragmenten komen uit verschillende geschiedkundige werken en zullen als inspiratie dienen voor een deel van de tekst in het boek.

 

Het prospecteren in deze beginjaren was zwaar werk, een lichter (boot) was gekocht en omgebouwd tot woonboot. Deze was naar Moengo gesleept waar hij aan de oever was gemeerd en diende tot verblijf van de staf. Hij was van muskietengaas voorzien, doch overbevolkt en warm. De arbeiders, die via de politie waren aangenomen, kregen twee dagen om een kamp voor zichzelf te bouwen. Deze kampen werden geconstrueerd van pinapalmbladeren. De betaling in die tijd was een een gulden vijftig per  dag met voeding, welke voornamelijk bestond uit zout- rund- en varkensvlees, zoute vis, rijstmeel, spliterwten en soms een klein beetje tabak. het baden vond plaats in de rivier en ook het drinkwater werd van de rivier betrokken.

Het dorp Moengo werd aangelegd op een verlaten Aucanerdorp aan de Cotticarivier, ongeveer honderd mijlen verwijderd van Paramaribo.

Het dorp werd verdeeld in drie wijken, bestemd voor respectievelijk de Amerikaanse employés, de Creoolse en de Javaanse arbeiders.

(Lie A Kwie / Esajas, 1996)

Medio 1919, toen het al duidelijk was dat er spoedig een bauxietverordening zou komen, gaf de S.B.M. aan de ingenieurs Buchanan, Apell en Pommeren opdracht een bouwplan voor de stad Moengo te ontwerpen, waarbij men moest rekenen op een bevolking van ± 800 – 1000 arbeiders met hun gezinnen, in totaal ± 4000 mensen. Voor het ontwerp was niet veel tijd beschikbaar, er moest snel worden begonnen met de uitvoering. Van hun plannen is enkel een schets bewaard gebleven, die in 1920 in de West-Indische gids werd afgedrukt. Op deze schets wordt de stad naar ras ingedeeld.

 

Het fabrieksterrein en de laad- en losinstallatie zijn in het noordelijk gedeelte gepland, zover mogelijk stroomafwaarts de rivier, Schepen behoeven op die manier niet ± vóór langs de stad te varen. Bovendien waait de rook van de installaties niet op de stad. In Suriname waaien n.l. N.O. – en z.o.- pasaat. Later, bij de aanleg van het bauxietdorp Paranam, was men dit blijkbaar weer vergeten, zodat het hele dorp licht wordt bestoven met rode bauxitestof.

(Kartodikromo, 1981)

Van een eigenlijke Moengo-bevolking kan men pas beginnen te spreken toen in augustus 1917 een ploeg arbeiders onder leiding van Tjon Akien en Burside van de Ajoema-Kondre expeditie naar Moengo  kwam om zich aldaar te vestigen. Samen met timmerlieden en veldarbeiders was het aantal zielen al spoedig tot 80 man gestegen, waaronder minstens 40 Franse vluchtelingen. [..] Ook werden verschillende creolen vanuit Paramaribo gecontracteerd, zodat in december 2017 het aantal zielen tot 200 man gestegen was. Omdat de bauxiet-verordening nog niet afgekondigd kon worden, moest de constructie worden uitgesteld, waardoor in februari 1918 ruim de helft van het aantal employees werd ontslagen.

(Burside, 1929)

De stichting van dit dorp Moengo is een roman, een stuk moderne geschiedenis en een monument voor de wilskracht en de volharding van de Amerikanen.

Honderd en vier mijlen van Paramaribo aan de Boven Cottica tusschen de Suriname en Marowijnerivieren, ligt het dorp Moengo of Mongo, een vroeg Aucaner Boschnegerdorp, dat sedert lang verlaten was, naar men meent, omdat de harde grond het inslaan van palen voor de woningen zoo moeilijk maakte. Moengo betekent heuvel.

Het bouwplan volgens nevenstaande schets in in 1919 geteekend. De laatste aanvulling daarvan had 10 april 1920 plaats. Het dorp wordt verdeeld in drie wijken, bestemd voor:

  1. De Amerikanen (C)
  2. De Surinaamsche of Creolen arbeiders (A)
  3. de Javaansche arbeiders (B)

[plaatje plattegrond]

 

De blokken van de Surinaamsche en Javaansche arbeiderswijken hebben een afmeting van 60 bij 75 M, die van de Amerikaansche wijk zijn belangrijk grooter.

De Javanenwoningen worden in 2 typen gebouwd, nl. op zichzelf staande gezinswoningen en blokwoningen, verdeeld in kamers voor “single men”. Er worden een 100 tal Javanenwoningen gebouwd.

 

Er wonen reeds een groot aantal Amerikanen op Moengo, verscheidene hunner gehuwd. [..] Voor hun ontspanning, zoowel als voor Surinanaamsch personeel, wordt gezorgd. Een sportterrein van grooten omvang wordt aangelegd voor alle soorten sport der Surinaamschen employés, als cricket voetbal en later het Amerikaansche Baseball. En het zal niet lang duren of de stichting van een leeszaal en boekerij zal ter hand worden genomen. Voor hen zal tevens een recreatiegebouw worden opgericht.

(Dentz, 1920)

 

Na de Tweede Wereldoorlog werd de behoefte naar aluminium minder. Moengo was rond deze tijd enorm geïsoleerd. Het bauxietbedrijf had besloten om de tijdzone te veranderen door alle klokken een uur vroeger te zetten waardoor het isolement nog meer werd versterkt. Personen die het dorp onaangekondigd en zonder toestemming bezochten werden weggestuurd. Het bedrijf verkoos getrouwde koppels in de hoop dat hun nakomelingen op hun beurt tewerk konden gesteld worden. Arbeiders hoefden niet te betalen in winkels; op vertoon van een nummer werd de schuld rechtstreeks van het loon ingehouden. Ook kreeg ieder gezin gratis melk elke ochtend aan huis geleverd net als de schoolkinderen. Na het werk werd door Suralco voor entertainment gezorgd. Naast het clubhuis, het theater, een tennisveld en de zwembaden werd tevens gevoetbald. Voetbal was en is nog steeds een belangrijke ontspanningsactiviteit. Er werden teams per werkafdeling opgesteld die het tegen elkaar opnamen. Het grootste deel van de werknemers was mannelijk hoewel er ook enkele vrouwen in de administratie werkten of als kok, poetsvrouw of verpleegster. Toch was in 1965 95% van de werknemers in de mijnsector mannelijk. Ook was er een scheiding van werk per bevolkingsgroep. Tot en met Wereldoorlog II mochten enkel blanken professionele functies innemen en tot de staf behoren. De andere groepen waren de maandgelders, de weekloners en de uurloners en bestonden voornamelijk uit Creolen en Javanen. Per loonbarema werd je ook in een wijk geplaatst; iedereen van die wijk verdiende ongeveer hetzelfde.

Moengo was enkel bereikbaar via de rivier maar in 1955 kwam daar verandering in. Er werd in dat jaar een airstrip aangelegd die de naam ‘Schiphol’ kreeg.

De directeurswoning, Casa Blanca, wordt in 1957 herbestemd tot clubhuis voor de stafleden.23 Vanaf 1962 was Moengo beter ontsloten. De Oost-Westverbinding werd aangelegd en via deze weg kon men Paramaribo makkelijker bereiken. 

(Hoefte, 2013)